Risicoclassificatie bij evenementen: Van A-,B- en C-evenementen naar een onderbouwde beveiligingsinzet

F4SEC-OLS-48

Het organiseren van een evenement brengt een verantwoordelijkheid met zich mee voor de veiligheid van
bezoekers, medewerkers en omgeving. Die verantwoordelijkheid begint niet bij het inhuren van een bepaald
aantal beveiligers, maar bij het systematisch vaststellen van de risico’s. In Nederland wordt daarvoor bij
vergunningsplichtige evenementen veelal gewerkt met een risicoclassificatie waarbij onderscheid wordt gemaakt
tussen A-, B- en C-evenementen.

Deze classificatie bepaalt niet alleen de wijze waarop een vergunningaanvraag wordt behandeld. Zij is ook van
invloed op de betrokkenheid van gemeente, politie, brandweer, GHOR en veiligheidsregio en op de
veiligheidsmaatregelen die van de organisator worden verlangd.

Voor beveiligingsbedrijven is vooral de vertaling van de risicoanalyse naar een concrete personele inzet
interessant. Want hoeveel beveiligers zijn daadwerkelijk noodzakelijk? Een eenvoudige norm zoals één
beveiliger per 100 of 250 bezoekers lijkt aantrekkelijk, maar doet onvoldoende recht aan de werkelijkheid. Er
heerst onder deskundigen op het gebied van evenementenveiligheid een breed gedragen opvatting dat deze
benadering tekort schiet. Het gaat om een doorgeschoten simplificatie, omdat er ten onrechte uitgegaan wordt
dat louter het bezoekersaantal bepalend is voor de kwantitatieve inzet van de beveiligingsorganisatie. Het
argument dat de staffelbenadering zo nu en dan een redelijke indicatie geeft is daarbij net zo juist als de stelling
dat een kapotte klok tweemaal daags de juiste tijd aangeeft. Professionele evenementenbeveiliging vraagt om
een meer risico gestuurde benadering.

A-, B- en C-evenementen

Binnen Nederlandse gemeentelijke en regionale kaders wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen drie
categorieën.

Een A-evenement is een regulier evenement. Het risico en de impact op de omgeving zijn relatief beperkt. De
organisator wordt in beginsel geacht het evenement met de reguliere maatregelen veilig te kunnen organiseren.

Een B-evenement is een aandachtevenement. Er bestaan relevante risico’s voor bijvoorbeeld openbare orde,
veiligheid, gezondheid, mobiliteit of omgeving. Advisering door één of meerdere hulpdiensten kan noodzakelijk
zijn en van de organisator wordt veelal een uitgebreidere risicoanalyse en een veiligheidsplan verlangd.

Een C-evenement is een risicovol evenement. De mogelijke impact is dusdanig dat intensieve voorbereiding en
samenwerking tussen organisator, gemeente en betrokken hulpdiensten noodzakelijk is. Bij dergelijke
evenementen is veelal sprake van multidisciplinaire advisering en worden scenario’s voor ernstige incidenten en
calamiteiten vooraf uitgebreid uitgewerkt.

De classificatie zegt daarmee vooral iets over de verwachte risico’s, de impact van mogelijke incidenten en de
mate waarin de organisator zelfstandig in staat is deze risico’s te beheersen.

Hoe wordt de risicoklasse bepaald?

De gemeente bepaalt uiteindelijk de classificatie, doorgaans met behulp van een risicoscan of behandelscan.
Daarbij wordt niet uitsluitend naar het bezoekersaantal gekeken. In veel modellen worden drie hoofdprofielen
onderscheiden:

1. Het publieksprofiel

Wie komen er naar het evenement? Daarbij spelen onder andere een rol:

• aantal bezoekers;
• leeftijd en samenstelling;
• alcohol- en drugsgebruik;
• gedrag en zelfredzaamheid;
• aanwezigheid van rivaliserende groepen;
• herkomst van bezoekers;
• eerdere incidenten bij dezelfde doelgroep;
• verwachte aankomst- en vertrekpieken.

Tienduizend bezoekers op een cultureel evenement als het Oud Limburgs Schuttersfeeest (OLS)
vertegenwoordigen bijvoorbeeld een ander risico dan tienduizend bezoekers van een nachtelijk hardcore
dancefestival als Dominator. Het internationale bezoekersprofiel en de gemiddeld hogere leeftijd van 12.500
bezoekers aan een concert van André Rieu op het Vrijthof in Maastricht wijkt significant af van het
bezoekersprofiel van hetzelfde aantal bezoekers aan een Glory of UFC vechtsportgala in Ahoy Rotterdam.

2. Het activiteitenprofiel

Ook de aard van het evenement is bepalend. Denk aan concerten, dance-evenementen, sport- en
voetbalwedstrijden, demonstraties, kermissen, festivals of culturele events zoals Sail.
Van belang zijn onder andere de aanwezigheid van podia, artiesten met een specifiek risicoprofiel,
alcoholverstrekking, pyrotechniek, attracties en activiteiten die grote publieksbewegingen veroorzaken.

3. Het ruimtelijk profiel

Ten slotte wordt gekeken naar de locatie. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om:
• capaciteit van het terrein;
• aantal in- en uitgangen;
• vluchtwegen;
• bereikbaarheid voor hulpdiensten;
• verkeersstromen;
• nabijheid van woningen, spoorwegen of water;
• aanwezigheid van obstakels;
• mogelijkheden voor compartimentering;
• weersgevoeligheid van de locatie.

De combinatie van deze factoren vormt het risicoprofiel. Sommige regionale modellen kennen punten aan
indicatoren toe. Een voorbeeld van een in gemeentelijk beleid toegepaste systematiek is minder dan 20 punten
voor categorie A, 20–30 punten voor B en 31 punten of meer voor C. Dit is echter nadrukkelijk een voorbeeld en
geen landelijke norm: de gehanteerde systematiek kan per regio verschillen.

In alle gevallen is het van belang hierin alle aspecten in ogenschouw te nemen. Wanneer 2 eigenstandige
evenementen zoals een smartlappen avond en een Indonesische vechtsport demonstratie, gelijktijdig in
hetzelfde buurt- en sportcentrum worden georganiseerd vloeit hieruit mogelijk een verzwarend risicoprofiel en
classificatie voort. Dat niet zou worden onderkend als de evenementen afzonderlijk werden beoordeeld.

Hogere classificatie betekent zwaardere beheersmaatregelen

Een verschuiving van A naar B of C heeft belangrijke consequenties. Niet alleen wordt het vergunningstraject
intensiever, ook worden hogere eisen gesteld aan de beheersorganisatie.

Bij een A-evenement kunnen standaardvoorwaarden en een relatief eenvoudige veiligheidsorganisatie
voldoende zijn. Bij B-evenementen worden hulpdiensten vaker betrokken en kan een veiligheidsplan
noodzakelijk zijn. Bij C-evenementen is integrale of multidisciplinaire advisering gebruikelijk.

Voor de beveiligingsorganisatie betekent een hogere risicoklasse doorgaans:

• meer en hoger geclassificeerd EHBO personeel;
• meer Beveiligings Personeel;
• intensievere toegangscontrole;
• meer toezicht op publieksstromen;
• afzonderlijke beveiliging van risicogebieden;
• inzet van teamleiders en een beveiligingscoördinator;
• een grotere interventiecapaciteit;
• intensievere communicatie met politie en hulpdiensten;
• duidelijk uitgewerkte calamiteiten- en ontruimingsprocedures.

De beveiligingsorganisatie verandert dus niet alleen kwantitatief, maar vooral ook kwalitatief.

Hoeveel beveiligers per bezoeker?

Over het benodigde aantal beveiligers bestaat in de praktijk regelmatig discussie. Een belangrijke constatering is dat in
Nederland geen algemene wettelijke norm bestaat die voorschrijft dat bij ieder evenement bijvoorbeeld één beveiliger per
100 of 250 bezoekers aanwezig moet zijn.

Gemeenten kunnen in hun evenementenbeleid of vergunning echter wel richtlijnen hanteren.

Een concreet voorbeeld is een gemeentelijke richtlijn waarin voor vergunningsplichtige A- en B-evenementen zonder
verhoogd risico wordt uitgegaan van circa één gecertificeerde beveiliger per 250 bezoekers. Voor evenementen met een
hoger risicoprofiel, zoals B+ en C, wordt een bandbreedte genoemd van ongeveer één beveiliger per 100 tot 150 bezoekers.

Deze getallen mogen niet worden geïnterpreteerd als landelijke wettelijke normen. Zij zijn vooral bruikbaar als eerste
controlegetal.

Een voorbeeld: festival met 10.000 bezoekers

Stel dat een festival maximaal 10.000 bezoekers tegelijkertijd ontvangt.

Bij toepassing van uitsluitend een bezoekersratio ontstaat bijvoorbeeld:

1 : 250 → 40 beveiligers
1 : 150 → 67 beveiligers
1 : 100 → 100 beveiligers

Dat verschil is aanzienlijk. Alleen het bezoekersaantal biedt daarom onvoldoende basis voor een professioneel
inzetadvies.

Een betere methode is een taakgerichte berekening.

Stel dat uit de risicoanalyse en het terreinplan de volgende posten voortkomen:

Hoofdingang fouillering en visitatie: 16 beveiligers
Overige vaste posten en nooduitgangen 8 beveiligers
Podia/frontstage en Front of House (FOH): 12 beveiligers
Horeca- en publieksgebieden: 10 beveiligers
Backstage en artiesteningang: 4 beveiligers
Mobiele Interventieteams: 8 beveiligers
Teamleiders: 4 beveiligers
Beveiligingscoördinatie: 2 beveiligers

De operationele basisbezetting bedraagt dan 64 beveiligers.

Vervolgens moet worden beoordeeld of aanvullende capaciteit noodzakelijk is voor pauzes, aflossing,
piekmomenten en onverwachte incidenten. Wanneer bijvoorbeeld een operationele reserve van 10% wordt
aangehouden, komt de inzet uit op circa:

64 × 1,10 = 70 beveiligers.

Bij 10.000 bezoekers ontstaat daarmee feitelijk een ratio van ongeveer 1 beveiliger per 143 bezoekers.

Het belangrijke verschil is dat de ratio hier niet het uitgangspunt is, maar de uitkomst van een inhoudelijke
berekening.

Een professioneel rekenmodel

Voor beveiligingsbedrijven kan daarom een model in vier stappen worden toegepast:

Stap 1 – Risicoanalyse

Identificeer de relevante risico’s op basis van publiek, activiteiten en locatie.

Stap 2 – Beveiligingsmaatregelen

Bepaal per risico welke maatregel noodzakelijk is. Bijvoorbeeld toegangscontrole tegen verboden voorwerpen,
crowdmanagement tegen publieksdruk of een interventieteam voor ordeverstoringen.

Stap 3 – Posten- en takenberekening

Vertaal iedere maatregel naar concrete functies, posten, aantallen medewerkers en inzettijden.

Stap 4 – Controle op ratio en weerbaarheid

Vergelijk de berekende inzet vervolgens met relevante gemeentelijke richtlijnen en beoordeel of voldoende
capaciteit resteert om incidenten op te vangen zonder dat kritieke beveiligingsposten onbezet raken.

Daarmee ontstaat de volgende logische keten:

Risico → beveiligingsdoel → maatregel → taak/post → personele inzet → controle op totale weerbaarheid.

Van bezoekersratio naar risico gestuurd beveiligen

Een bezoekersratio blijft nuttig als benchmark. Wanneer voor een risicovol dancefestival met 20.000 bezoekers
uit een berekening slechts twintig beveiligers volgen, is er reden om kritisch naar de analyse te kijken. Andersom
is het inzetten van honderd beveiligers niet automatisch beter wanneer niet duidelijk is welke taken zij uitvoeren.

De kwaliteit van evenementenbeveiliging wordt uiteindelijk niet bepaald door zoveel mogelijk mensen in uniform
aanwezig te laten zijn. Doorslaggevend is of de beveiligingsorganisatie voldoende capaciteit heeft om de
geïdentificeerde risico’s daadwerkelijk te beheersen.

Daarom zou bij professionele evenementenbeveiliging niet de vraag “Hoeveel beveiligers hebben we per
bezoeker nodig?” centraal moeten staan, maar:

“Welke beveiligingsrisico’s moeten wij beheersen, welke taken zijn daarvoor noodzakelijk en hoeveel
gekwalificeerde beveiligers zijn nodig om die taken gedurende het gehele evenement aantoonbaar uit te
voeren?”

Dat is het wezenlijke verschil tussen norm gestuurd en risico gestuurd beveiligen.

De A-, B- en C-classificatie vormt daarbij een belangrijk vertrekpunt, maar nooit het eindpunt. De echte
professionalisering vindt plaats wanneer de classificatie wordt vertaald naar concrete scenario’s,
beveiligingsdoelen, maatregelen en een onderbouwd personeelsplan. Juist die aantoonbare relatie tussen risico
en inzet maakt een beveiligingsplan verdedigbaar richting organisator, gemeente, politie en veiligheidsregio.

F4SEC Security Group BV helpt haar opdrachtgevers bij het opstellen van gedegen beveiligingsplannen welke
zijn gebaseerd op een goede risico analyse. Hierin worden uiteraard de diverse scenario beschrijvingen
uitgewerkt. Hiermee ondersteunt F4SEC haar opdrachtgevers actief bij d procedure van vergunningaanvraag.

@ Copyright F4SEC Security Group B.V

-