Erkend leerbedrijf in de beveiliging: aan welke eisen moet een beveiligingsbedrijf voldoen?

Foto Opleiden

Erkend leerbedrijf in de beveiliging: aan welke eisen
moet een beveiligingsbedrijf voldoen?
De beveiligingsbranche kampt al geruime tijd met een grote behoefte aan gekwalificeerde
beveiligers. Het opleiden van nieuwe medewerkers via de beroepsbegeleidende leerweg (BBL)
of beroepsopleidende leerweg (BOL) is daarom voor veel beveiligingsorganisaties een belangrijk
onderdeel van het personeelsbeleid. Een beveiligingsbedrijf kan echter niet zonder meer
studenten voor de mbo-opleiding Beveiliger in de beroepspraktijk opleiden. Daarvoor moet het
bedrijf door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) zijn erkend als
leerbedrijf.
Aan beveiligingsbedrijven worden daarbij aanvullende eisen gesteld ten opzichte van veel
andere sectoren. Dat heeft een duidelijke reden: een aspirant-beveiliger leert niet alleen een
vak, maar verricht tijdens zijn opleiding werkzaamheden binnen een wettelijk gereguleerde
sector waarin veiligheid, integriteit en betrouwbaarheid centraal staan.
De erkenning door SBB
SBB is wettelijk verantwoordelijk voor het erkennen en begeleiden van leerbedrijven. Een bedrijf
dat erkend wil worden, moet kunnen aantonen dat het een goede en sociaal veilige leerplaats
aanbiedt, dat de werkzaamheden aansluiten bij het beroep waarvoor de student wordt opgeleid
en dat voldoende deskundige begeleiding beschikbaar is.
Daarnaast moet het bedrijf bereid zijn samen te werken met de onderwijsinstelling en SBB. De
praktijkopleider moet aantoonbaar beschikken over voldoende vakinhoudelijke deskundigheid en
begeleidingsvaardigheden.
Voor de beveiligingsbranche gelden aanvullende sectorale voorwaarden. Een particulier
beveiligingsbedrijf moet beschikken over de vereiste vergunning op grond van de Wet
particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Het gaat onder andere om
een geldige ND-, BD- of PGW-vergunning. De vergunning moet minimaal één jaar voorafgaand
aan de aanvraag voor erkenning als leerbedrijf zijn ingegaan. Een zzp’er kan op geen enkele
manier worden erkend als leerbedrijf op grond van de bepalingen in de Regeling particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Rpbr). Aspirant Beveiligers met een
zogenaamde groene pas die zich als zzp’ers in de markt aanbieden operen dan ook volledig in
strijd met de geldende wet en regelgeving.
Voor een beveiligingsorganisatie met een ND-vergunning geldt bovendien sinds de regeling van
1 augustus 2026 dat zij aantoonbaar ten minste twee verschillende, zelfstandig verkregen en
rechtstreeks afgesloten contracten met opdrachtgevers moet hebben waarin de
beveiligingsorganisatie eindverantwoordelijk is voor de beveiliging.
Een belangrijk uitgangspunt is verder dat het leerbedrijf ervoor moet zorgen dat alle kerntaken
en werkprocessen van de betreffende mbo-kwalificatie tijdens de beroepspraktijkvorming
daadwerkelijk geleerd kunnen worden. Een bedrijf dat slechts een zeer beperkt type
beveiligingswerk uitvoert, kan daardoor tegen beperkingen aanlopen.
Het opleidingsplan als fundament

Alleen voldoen aan de formele erkenningsvoorwaarden is niet voldoende. Een professioneel
leerbedrijf moet kunnen aantonen hoe de aspirant-beveiliger in de praktijk wordt opgeleid.
Daarvoor is een actueel opleidingsplan essentieel. De Nederlandse Veiligheidsbranche
benadrukt dat het opleidingsplan onverkort moet gelden voor alle aspirant-beveiligers en
duidelijk moet maken hoe een BBL-student tijdens zijn beroepspraktijkvorming wordt opgeleid
en begeleid.
Een goed opleidingsplan is veel meer dan een rooster of opsomming van werkzaamheden. Het
legt de verbinding tussen het kwalificatiedossier, de praktijkwerkzaamheden en de ontwikkeling
van de student.
Het plan zou ten minste moeten beschrijven:
 welke kerntaken en werkprocessen tijdens de BPV worden aangeleerd;
 op welke objecten en bij welke werkzaamheden de student ervaring opdoet;
 welke praktijkopleider verantwoordelijk is;
 hoe de introductie en inwerkperiode verloopt;
 welke werkzaamheden eerst onder directe begeleiding worden uitgevoerd;
 wanneer en onder welke voorwaarden een BBL-aspirant zelfstandiger kan functioneren;
 hoe vaak begeleidings- en voortgangsgesprekken plaatsvinden;
 hoe praktijkopdrachten worden uitgevoerd en beoordeeld;
 hoe de voortgang wordt geregistreerd;
 hoe wordt samengewerkt met de mbo-onderwijsinstelling;
 hoe wordt omgegaan met achterstanden of onvoldoende functioneren;
 hoe veiligheid, integriteit, beroepshouding en omgang met agressie worden aangeleerd;
 hoe uiteindelijk wordt vastgesteld dat de student voldoende beroepsbekwaam is.
Daarbij verdient een gefaseerde opbouw de voorkeur. Een beginnende aspirant kan niet vanaf
de eerste dag worden behandeld alsof hij een volledig gediplomeerde beveiliger is. In de eerste
fase ligt de nadruk daarom op observeren, instructie en intensieve begeleiding. Vervolgens kan
de student steeds meer werkzaamheden uitvoeren, waarna – voor zover de regels en zijn
competentieniveau dit toelaten – de zelfstandigheid geleidelijk wordt vergroot.
De praktijkopleider heeft een sleutelrol
De kwaliteit van het leerbedrijf staat of valt in belangrijke mate met de praktijkopleider. Deze
persoon is niet simpelweg een ervaren beveiliger die af en toe vragen van studenten
beantwoordt.
Volgens de SBB-regeling is de praktijkopleider de door het leerbedrijf aangewezen persoon die
belast is met de begeleiding van de student. Voor beveiliging gelden aanvullende
vakinhoudelijke eisen. De praktijkopleider moet zijn opgeleid als beveiliger of coördinator
beveiliger, dan wel beschikken over een gelijkwaardige kwalificatie volgens de Rpbr, én
operationele ervaring hebben met beveiligingswerk.
Daarnaast moet hij beschikken over begeleidings- en beoordelingscompetenties. Van een
goede praktijkopleider mag worden verwacht dat hij instructies kan geven, werkzaamheden kan
voordoen, studenten laat oefenen, observeert, feedback geeft en hun ontwikkeling beoordeelt.

Daarbij moet hij onderscheid kunnen maken tussen werken en leren. Een aspirant is weliswaar
inzetbaar in de beveiligingsorganisatie, maar bevindt zich tegelijkertijd in een leerproces.
Productiviteit of personeelsplanning mag daarom nooit het enige uitgangspunt zijn.
De praktijkopleider bewaakt bovendien de relatie tussen de dagelijkse werkzaamheden en het
kwalificatiedossier. Hij voert voortgangsgesprekken, beoordeelt praktijkopdrachten, signaleert
leerachterstanden en onderhoudt waar nodig contact met de onderwijsinstelling.
Verplichte opleiding van praktijkopleiders
Sinds 1 januari 2026 is de opleiding van praktijkopleiders in de beveiliging verder aangescherpt.
De branchegerichte basisopleiding wordt aangeboden via V-learning van de Nederlandse
Veiligheidsbranche/SFPB. De digitale opleiding is de standaard om te voldoen aan de branche-
eis voor praktijkopleiders die aspiranten voor Beveiliger 2 begeleiden. De behaalde resultaten
worden via het MijnSVPB-nummer geregistreerd in V:base.
Daarnaast biedt SBB workshops voor praktijkopleiders. De branche beschrijft dat na afronding
van de branchegerichte module via V-learning inschrijving voor de basisopleiding/workshops
van SBB mogelijk is. Deze workshops kunnen online, fysiek of incompany worden aangeboden.
SBB blijft uiteindelijk onafhankelijk beoordelen of de praktijkopleider voldoende deskundig is
voor de erkenning van het leerbedrijf.
Voor beveiligingsbedrijven is het daarom verstandig niet uitsluitend te kijken naar het bezit van
een certificaat. De praktijkopleider moet ook daadwerkelijk tijd, positie en middelen krijgen om
zijn opleidingsfunctie uit te voeren.
Bijscholing: eenmaal per vijf jaar
De professionalisering stopt niet na de basistraining. Sinds 1 juni 2025 geldt voor
praktijkopleiders in de beveiligingsbranche een verplichte periodieke bijscholing.
Een praktijkopleider moet eens per vijf jaar bijscholing volgen. De bijscholingsmodule via V-
learning behandelt onder meer de rol van de praktijkopleider, het praktijkwerkboek en een
inhoudelijke refreshment en wordt afgesloten met een zelftoets. Na succesvolle afronding wordt
het resultaat in V:base geregistreerd.
Voor oudere certificaten geldt een overgangsregeling. Wie het certificaat vóór 1 juni 2015
behaalde, moet uiterlijk 1 juni 2027 zijn bijgeschoold. Voor certificaten van 1 juni 2015 tot 1 juni
2020 geldt 1 juni 2028 en voor certificaten van na 1 juni 2020 geldt 1 juni 2029. Daarna geldt de
cyclus van vijf jaar. Wie niet meer over een geldig eerder certificaat beschikt, moet de
basistraining opnieuw volgen.
Voor het leerbedrijf betekent dit dat de geldigheid en bijscholing van de praktijkopleiders
onderdeel moeten worden van de eigen kwaliteitsadministratie.
Hoeveel aspiranten mag één praktijkopleider begeleiden?
Over dit onderwerp bestaat regelmatig verwarring. De actuele SBB-regeling noemt geen
algemene regel dat één praktijkopleider maximaal één of twee aspirant-beveiligers
gedurende het gehele opleidingstraject mag begeleiden.

Wel geldt een duidelijke organisatorische ondergrens: een beveiligingsorganisatie die meer dan
twee aspirant-beveiligers tegelijkertijd in de beroepspraktijk opleidt, moet beschikken over
minimaal twee gecertificeerde praktijkopleiders.
Daarnaast moet onderscheid worden gemaakt tussen de verantwoordelijke praktijkopleider
en de directe begeleiding tijdens het uitvoeren van beveiligingswerk.
Bij een BBL-aspirant met arbeidsovereenkomst kan een praktijkopleider meerdere aspiranten
gedurende het leertraject begeleiden. De begeleiding kan, afhankelijk van de ontwikkeling van
de aspirant, gefaseerd worden aangepast. De werkgever blijft daarbij verantwoordelijk voor een
veilige en verantwoorde inzet.
Voor een BOL-stagiair zonder arbeidsovereenkomst gelden strengere uitgangspunten. Volgens
de actuele branche-informatie moet deze student tijdens de stage op de werkvloer fysiek en
direct één-op-één worden begeleid, waarbij sprake moet zijn van begeleiding op
oogcontactafstand. Bij een groep van vijf of meer stagiairs moeten minimaal twee
praktijkopleiders fysiek aanwezig zijn.
Dat verschil is essentieel. De vraag “hoeveel studenten mag één praktijkopleider begeleiden?”
kan daarom niet met één getal worden beantwoord.
Van erkenning naar professioneel opleiden
Erkend leerbedrijf zijn is uiteindelijk meer dan het verkrijgen van een SBB-erkenning. Een
beveiligingsbedrijf neemt daarmee verantwoordelijkheid voor de instroom van toekomstige
vakmensen.
Een kwalitatief leerbedrijf beschikt daarom over een actuele SBB-erkenning, de juiste Wpbr-
vergunning, voldoende geschikte beveiligingsopdrachten, een actueel opleidingsplan en
voldoende gecertificeerde en bijgeschoolde praktijkopleiders. Maar minstens zo belangrijk is dat
deze praktijkopleiders daadwerkelijk ruimte krijgen om hun functie uit te voeren.
Een praktijkopleider die verantwoordelijk is voor tien studenten, maar nauwelijks tijd krijgt voor
gesprekken, observaties en beoordelingen, voldoet misschien op papier aan bepaalde
organisatorische voorwaarden, maar levert daarmee nog geen goede beroepspraktijkvorming.
De sterkste leerbedrijven behandelen de BPV daarom als een volwaardig bedrijfsproces. Zij
plannen begeleidingsuren, registreren voortgang, evalueren praktijkopleiders, onderhouden
structureel contact met de onderwijsinstelling en bewaken de verhouding tussen productie en
opleiding.
Juist in de beveiligingsbranche is dat van groot belang. De praktijkopleiding vormt immers de
brug tussen theorie en zelfstandig professioneel handelen. Een goed opgeleide beveiliger moet
niet alleen procedures kennen, maar ook leren observeren, communiceren, de-escaleren,
rapporteren, integer handelen en onder druk verantwoorde beslissingen nemen.
De erkenning van SBB is daarmee niet het einddoel, maar het begin. Het echte kwaliteitsverschil
wordt gemaakt op de werkvloer – door een goed opleidingsplan, een veilige leeromgeving en
vooral door deskundige praktijkopleiders die voldoende tijd krijgen om van een aspirant een
vakbekwame beveiliger te maken.

@ Copyright F4SEC Security Group B.V

-